Ik weet niet of Amerikanen ooit fiscaal verantwoordelijk zijn geweest, of ze ooit een tijd hebben gekend waarin sparen werd gewaardeerd, waarin je niet leende voor consumptie, en waarin wegwerpgoederen en -producten van lage kwaliteit werden vermeden, maar als ze al zo’n periode in hun geschiedenis hebben meegemaakt, dan was die kort, schrijft Larry Romanoff.

Twintig jaar voor Elmer Wheeler’s uitvinding van “sizzle“, hadden Bernays en zijn vrienden het even belangrijke concept van het vandaag uitgeven van het geld van morgen al ingeprent. Het proces begon met Layaway-plannen, en ging toen verder met ‘Pay as you Go’, ‘No money Down’, ‘Buy Now, Pay Later’, en andere gemakkelijke kredietregelingen. Televisiespots toonden mooie mensen die genoten van hun nieuwe huis en auto, keukenapparatuur en meubels, TV, kleding en vakanties, en die daar vandaag niet voor hoefden te betalen. De marketeers huurden de psychologen van Bernays in om een tactisch plan op te stellen om de Amerikaanse waarden van sparen te veranderen in eeuwige consumptie, en slaagden daar meer in dan in hun stoutste dromen. Amerikaanse marketeers bedachten en creëerden een wegwerpmaatschappij, waarin uiterlijk belangrijker was dan inhoud, waarin kwaliteit werd opgeofferd aan mode. Amerikaanse autofabrikanten veranderden elk jaar het hele uiterlijk van hun modellen en veranderden vervoer in mode-accessoire met reclamecampagnes die mensen beschaamd maakten om in de auto van vorig jaar te rijden. Dit is zo waar dat sinds de jaren 1950 een van de grootste “mode-evenementen” van het jaar de onthulling door de Amerikaanse autofabrikanten van hun nieuwe modellen was. Er werd nooit enige aandacht besteed aan techniek of kwaliteit; het was allemaal oppervlakkig consumentisme.

De meeste Amerikanen zijn te jong om te beseffen dat hun wegwerpmaatschappij een recente ontwikkeling is. Nog niet zo lang geleden waren kwaliteit en duurzaamheid belangrijke kenmerken van elke aankoop, omdat de mensen niet rijk genoeg waren om slordige produkten te kopen die herhaaldelijk vervangen moesten worden. Consumptiegoederen waren bedoeld om een leven lang mee te gaan – en veel deden dat ook. Van veel speelgoed werd verwacht dat het generaties lang meeging, en vaak gebeurde dat ook. Als kind speelde ik met speelgoed dat ik van mijn grootvader had gekregen. Aan het begin van zijn huwelijk kocht mijn vader een stel keukenpotten voor mijn moeder, waarvoor hij bijna twee maandsalarissen betaalde. Mijn moeder stierf toen ze 91 jaar oud was, en die potten zagen er nog net zo nieuw uit als toen ze gekocht werden. Het waren Bernays en zijn marketingmensen, de evangelisators van het kapitalisme, die een betere manier vonden om sneller meer geld te verdienen. In plaats van u één goed artikel te verkopen en u voor altijd als klant te verliezen (omdat het nooit vervangen zou hoeven worden), begonnen zij de kwaliteit te verlagen en steeds goedkopere producten te maken en te verkopen die snel stuk zouden gaan en vervangen zouden moeten worden. Op die manier konden de Amerikaanse fabrikanten hoge winsten maken en konden zij rekenen op vaste klanten uit een verspillende wegwerpmaatschappij.

Amerikaanse fabrikanten hadden de processen van grootschalige massaproductie ontwikkeld om de oorlogsmachine van de natie te dienen, maar na de oorlog zouden deze enorme fabrieken grotendeels ongebruikt blijven. De oplossing van Lippman en Bernays was om een van de grootste verschuivingen in sociale waarden te bewerkstelligen die de wereld ooit heeft gezien, door het begrip “behoefte” in de publieke opinie zo te herdefiniëren dat het samenviel met elk product dat Amerikaanse fabrieken konden maken. Zij gebruikten hun propagandamethoden in oorlogstijd om het Amerikaanse volk te indoctrineren met de behoefte om alles te kopen wat mogelijk was, in hun streven naar een “hogere levensstandaard”.

“Bernays begon het proces van het verkopen van niet zozeer producten, als wel de emotie zelf. Door consumptie psychologisch te koppelen aan een gevoel van vrijheid, geluk, macht en zelfvertrouwen, koppelde hij noties van identiteit en zelfbeeld aan artikelen die gekocht konden worden.” Dit was de ware geboorte van het consumentisme, en waarom het alleen in de VS bestond (en bestaat). Amerika ontwikkelde zich tot een ‘shop-untill-you-drop’ wegwerpeconomie, gebaseerd op gemakkelijk krediet en oppervlakkigheid. In een paar decennia gingen de Amerikanen van “zuinig” naar “spilzuchtig”.

Weinigen hebben enig idee van de extreme, bijna fanatieke mate waarin het consumptievirus van Bernays de Amerikaanse bevolking heeft weten te infecteren, nu het punt waarop het als pathologisch kan worden beschouwd allang is gepasseerd. Duitsland heeft 2,7 m² winkelruimte per hoofd van de bevolking, Japan 3,9 en het VK 5. Voor elke Amerikaanse shopper is er dus 24 m² winkelcentrum. De zogenaamde “American Dream” is voortgekomen uit dit massale psychologische misbruik, en is de reden waarom de Amerikaanse zoektocht naar een hogere levensstandaard zich manifesteert in louter nutteloze aankopen en consumptie. De Amerikaanse economie, die voor 75% van haar bestaan afhankelijk is van consumptieve bestedingen, is een volledig kunstmatige constructie die nooit had kunnen bestaan zonder de hebzucht, immoraliteit en verdraaide psychologische principes van Bernays en zijn “elite few”. De Amerikanen hebben deze bizarre consumptienorm nu gedefinieerd als de standaardpositie van alle economieën van de mensheid, die zij nu op agressieve wijze aan China proberen op te leggen als “beste praktijken” en de wil van God.

In zijn boek “The Affluent Society” merkte Galbraith zo wijselijk op dat de consumptievraag in de VS kunstmatig en niet natuurlijk was. P & G staat vandaag alom bekend om hun ongewone marketingmodel dat een grotendeels kunstmatige productvraag geniet die wordt gestuurd door propaganda en ondersteund door massale reclame-uitgaven, twee keer zoveel als bij enig ander bedrijf ter wereld. Het is geen geheim, en zelfs onder leidinggevenden van P & G wordt erkend, dat de omzet van het bedrijf binnen enkele maanden met misschien wel 70% zou dalen als de reclamevloed zou worden stopgezet. Zoals een auteur opmerkte: “Er is een zeer directe correlatie tussen de vraag naar een product en de marketinguitgaven om die vraag te bundelen.” De propagandisten die de elite-eigenaren van de industriële productie in de VS vertegenwoordigden, zagen al vroeg in dat een kunstmatige vraag en consumptie voor hen een koninklijke weg naar rijkdom waren, en dat zij de sleutel in handen hadden om de Amerikanen te besmetten met een consumptie-virus. Zij drongen uiteindelijk niet alleen door tot de huishoudens, maar ook tot de schoolsystemen, in die mate dat de Amerikanen vandaag de dag vanaf de kleuterschool wordt geleerd dat consumptie koning is. In dit model kan de industriële produktie niet toenemen zonder een overeenkomstige toename van de vraag van de consument, hetgeen betekent dat de Amerikanen ertoe gebracht moeten worden steeds meer produkten te verlangen en steeds meer geld uit te geven om ze te verkrijgen, hetgeen niet alleen marketing en reclame betekende, maar ook de ontwikkeling van het consumentenkrediet. Aangezien de Amerikanen vandaag niet altijd genoeg geld zouden hebben om de nieuwe producten van vandaag te kopen, werden zij steeds meer aangemoedigd om het geld van morgen te lenen en uit te geven. In een serie PBS-programma’s pochte de verteller: “Een van de wonderlijkste uitvindingen van die tijd was het consumentenkrediet. Voor 1920 kon de gemiddelde arbeider geen geld lenen. Tegen 1929 was “koop nu, betaal later” een manier van leven geworden”. Dit is vrijwel het hele beeld van de huidige Amerikaanse economie, die bestaat uit de produktie en aankoop van overbodige produkten van steeds mindere kwaliteit, waarvan de verkoop wordt gestimuleerd door steeds hogere reclamekosten en de fictie van merkwaarde, en dit alles gefinancierd op krediet.

Galbraith merkte terecht op dat de Amerikaanse samenleving mensen beoordeelt aan de hand van de producten die zij bezitten. Omdat de propagandisten van het bedrijfsleven generaties lang de mythe hebben gecreëerd en gepropageerd van het streven naar een “hogere levensstandaard” – die zij definieerden als het bezitten van meer dingen – als het toppunt van de Amerikaanse Droom, is het logisch dat Amerikanen zichzelf en anderen nu beoordelen aan de hand van hun mate van nutteloze consumptie. Het is waarschijnlijk waar dat het voornaamste sociale doel van de Amerikanen het bezitten van meer dingen is, het directe resultaat van generaties van intensieve programmering. Er wordt vaak gezegd dat Amerikanen een levensstandaard hebben terwijl Europeanen een kwaliteit van leven hebben, een juiste observatie die de meeste Amerikanen niet kunnen waarderen. Galbraith merkte opnieuw op dat de Amerikaanse waarden verkeerd zijn, dat “wij het verkeerde doel hebben gesteld, de nationale droom, die het evaluatiesysteem heeft geschapen dat nu de opzichtige consumptie en het opzichtige bezit is”. Hij schreef verder dat de drang om te consumeren – die praktisch het fundament vormt van het Amerikaanse economische systeem – opzettelijk werd gecreëerd door het bevorderen van een vals waardesysteem dat de nadruk legde op productie en consumptie als de bepalers van prestige.

Reeds in de jaren 1920 beweerde de econoom Paul Nystrom dat veranderingen in levensstijl de Amerikaanse samenleving hadden aangezet tot een “filosofie van de zinloosheid”, van consumptie omwille van zichzelf als een soort sociale mode. De Noorse econoom Thorstein Veblen bedacht voor het eerst de term “opzichtige consumptie”, die werd gedefinieerd als een narcistische gedragsverslaving, een soort psychologische misvorming die bij een bevolking wordt teweeggebracht door de aanschaf te bevorderen van meestal dure goederen die niet noodzakelijk zijn voor iemands leven, alleen maar om te laten zien dat men zich die kan veroorloven. De oorspronkelijke stelling van Veblen was dat opzichtige consumptie een psychologisch doel op zich was, dat de eer van een superieure sociale status opleverde en tegelijkertijd afgunst bij anderen uitlokte. Dit soort consumptie komt het meest tot uiting in het gedrag van de nieuwe rijken, die door te pronken hun onvolwassenheid en gebrek aan goede smaak demonstreren, hoewel we het soms ook kunnen waarnemen in de lagere sociale klassen die zichzelf als betrekkelijk arm beschouwen en zichzelf een psychologische oppepper geven door onnodig een duur voorwerp te kopen. Wij zien dit vaak in de zwarte getto’s in de VS, waar de armste tieners onbetaalbare bedragen uitgeven om een paar sportschoenen te kopen die toevallig in de mode zijn.

Dit is niet hetzelfde als iets kopen dat we echt willen omwille van zichzelf, en dat plezier en genot aan ons leven zou toevoegen. Als we echt van iets houden en er blij mee zouden zijn het te bezitten, kan het geen kwaad onszelf te verwennen. Het leven is om te leven. Maar als je iets koopt omwille van status of prestige, met andere woorden, niet omdat je er zelf van houdt maar om indruk te maken op anderen, dan leef je niet jouw leven – dan leef je hun leven. De Britse econoom John Stuart Mill verwoordde dit heel goed toen hij schreef: “Ik wil geenszins elke uitspatting ontmoedigd zien die wordt nagestreefd uit een oprechte neiging tot en genot van het ding zelf; maar een groot deel van de uitgaven van de hogere en middenklasse in de meeste landen wordt niet gedaan omwille van het plezier dat wordt verschaft door de dingen waaraan het geld wordt besteed, maar uit consideratie met de (publieke) opinie.”

Natuurlijk waren de Amerikaanse samenleving en de kwaliteit van het leven de natuurlijke slachtoffers van deze propaganda. Wanneer we worden overspoeld met advertenties om nieuwe auto’s te kopen, hebben we veel minder sympathie voor hogere belastingen waarmee scholen, ziekenhuizen of een hogesnelheidsspoorwegsysteem zouden kunnen worden betaald. En aangezien de Amerikaanse bedrijven en hun elite-eigenaars en financiers een virtuele eigendomsfunctie uitoefenen op de Amerikaanse regering, werd het Amerikaanse regeringsbeleid herijkt om de kapitalisten te ondersteunen in plaats van de belangen van de burgers en de natie te dienen. Het is niet voor niets dat de VS geen door de overheid geëxploiteerd gezondheidszorgsysteem heeft, meer uitgeeft aan gevangenissen dan aan onderwijs en dat vrijwel de gehele fysieke infrastructuur vandaag de dag afbrokkelt. Dit alles komt voort uit dezelfde propaganda die erop gericht is de top 1% te dienen en hun persoonlijke hebzucht te bevredigen.

Een belangrijk kenmerk van de Amerikaanse media dat in geen enkel ander land bestaat, is de subtiele maar aanhoudende versterking van het consumentisme. Toen George Bush eindelijk op TV verscheen na 9-11, was zijn enige advies aan de Amerikanen: “ga winkelen”. Ben Bagdikian, Danny Schechter, Noam Chomsky en anderen hebben allen de uitgebreide infiltratie van het consumentisme in alle aspecten van de mediacommunicatie gedetailleerd beschreven, waarbij informatieve programma’s, documentaires en andere belangrijke maatregelen worden geëlimineerd omdat de media “programma’s met serieuze complexiteiten en verontrustende controverses die de ‘koopstemming’ verstoren, willen vermijden”. Media-eigenaren willen de Amerikanen afgezonderd houden in hun eigen kleine lokale wereldjes, afgesneden van te veel kennis over de wereld, en geven er de voorkeur aan dat de kijkers worden “gekalmeerd, gepacificeerd, vermaakt”. Volgens Shechter is de dominante mediamantra voor kijkers en lezers “shut up and shop”. Ingebed in deze benadering is ook een voortdurend verkopen van de welwillendheid van het kapitalisme en de voordelen van vrij ondernemerschap. Bagdikian beschreef in detail hoe subtiele vormen van deze culturele versterking bijna overal opduiken, door het tonen van bedrijfsbeelden die het kapitalisme vleien, door het promoten van het concept dat “alle zakenlui goed zijn, of zo niet, dan worden ze altijd veroordeeld door andere zakenlui”, dat de “Amerikaanse manier van leven” boven alle kritiek verheven is.

De uitgaven van P&G voor TV-reclame zijn zo enorm dat het bedrijf zijn macht gebruikt om de netwerken de inhoud van de programma’s voor te schrijven. Decennialang hebben P&G van TV-netwerken geëist: “Er zal geen materiaal zijn dat aanstoot kan geven, hetzij direct of door gevolgtrekking aan een commerciële organisatie van welke soort dan ook. Er zal geen materiaal in onze programma’s zijn dat op enigerlei wijze het concept kan bevorderen van zaken doen als koud, meedogenloos en zonder enige sentimentele of spirituele motivatie.” Klinkt dat bekend? Ik zou een lijst kunnen geven van belangrijke gebeurtenissen die P&G gemakkelijk zouden kunnen categoriseren als “koud, meedogenloos tot op het punt van criminaliteit, en zonder enige sentimentele of spirituele motivatie”. En dat niet alleen, P&G heeft ook een gevestigd belang bij het in stand houden van de utopische mythologie die de Amerikaanse consument zo beheerst. Nogmaals uit hun beleidsverklaring: “Als er een aanval is op de Amerikaanse gewoonten, moet die op dezelfde show volledig weerlegd worden”. Het resultaat van al deze beïnvloeding door eigenaars en adverteerders is dat alle inhoud van de Amerikaanse media, niet alleen het nieuws maar alle netwerkprogramma’s, en alle films, onderworpen zijn aan een subtiele maar alomtegenwoordige censuur, die allemaal samenwerkt om niet alleen de consumptiemaatschappij maar het hele scala van de Amerikaanse sociale en historische mythologie te versterken. Het hele media- en communicatielandschap in de VS is besmet met propaganda van de een of andere soort.

Laten we de marketingfraude even terzijde laten en de belangrijkste overweging van de Amerikaanse consumentenbestedingen opnieuw bekijken. Nogmaals, de Amerikaanse economie is voor 75% van haar bestaan afhankelijk van de consumptieve bestedingen, een verhouding die veel hoger is, bijna tweemaal zo hoog, als die van de meeste andere naties, een toestand die pathologisch is volgens alle economische en psychologische maatstaven. Deze toestand is niet het resultaat van een natuurlijke ontwikkeling, maar van tientallen jaren, in feite generaties, van een verraderlijk programma van bewuste marketingpropaganda om van de Amerikanen onnozele consumenten te maken ten behoeve van de verrijking van de industriële 1% van het land. Een economie die gebaseerd is op zo’n hoog niveau van consumptieve bestedingen is zo onevenwichtig dat zij op den duur niet kan overleven. En inderdaad, het tijdelijke overleven gaat ten koste van de natie. Een van die kosten is dat de VS nu een land is met een infrastructuur, inclusief dammen, snelwegen, bruggen, luchthavens, spoorwegen en meer, die al meer dan 60 jaar niet meer onderhouden of verbeterd is en die steeds meer instort. Het geld dat aan belastingen zou moeten worden onttrokken en aan cruciale nationale behoeften zou moeten worden besteed, wordt in plaats daarvan uitgegeven aan slordige goederen bij Wal-Mart. In feite worden de middelen die nodig zijn voor kritieke nationale behoeften overgeheveld als bedrijfswinsten ten voordele van een paar uitverkorenen. Toch zijn er de Amerikanen die er bij China op aandringen hun voorbeeld te volgen en de consumentenuitgaven drastisch aan te moedigen. Natuurlijk is een deel van deze evangelisatie een even woedend aandringen op China om alle infrastructuuruitgaven en andere nationale ontwikkeling stop te zetten om middelen vrij te maken voor de consumenten om uit te geven. De redenen hiervoor zijn tweeledig.

De eerste reden is dat het opvolgen van het advies van de VS zou betekenen dat de ontwikkeling van China wordt bevroren, dat alle verbeteringen worden stopgezet, dat China’s hoop voor de toekomst verdwijnt, en dat dit alles deel uitmaakt van het plan. De tweede reden is dat de Amerikanen het meest hopen te profiteren van een mogelijke verdubbeling van de consumentenbestedingen in China. Het verbaast mij dat de duidelijk gebrekkige economische theorie die door de Amerikanen wordt gepostuleerd, in China enige weerklank heeft kunnen vinden. In het kort komt deze theorie erop neer dat consumptie, consumentenuitgaven, de plaats zullen innemen van investeringen in ontwikkeling, zodat de Chinese economie onbelemmerd kan blijven groeien, een theorie die zo duidelijk onjuist is dat men in elfjes zou moeten geloven om er geloof aan te hechten. Consumptie – consumptieve bestedingen – is niet de drijvende kracht of de schepper van nationale groei en ontwikkeling, maar is het resultaat van groei. Als de economie groeit, stijgen de lonen en inkomens en hebben de mensen meer geld om uit te geven. Het bevriezen van de investeringen en het aanmoedigen van de bevolking om al haar geld uit te geven zal de economie niet doen “groeien”, ongeacht het tijdelijke (en valse) effect op de BBP-statistieken. Het zal eenvoudigweg particuliere besparingen en inkomens overhevelen naar de eigenaars van die bedrijven die consumptiegoederen verkopen, waardoor de natie verarmt en vooral de Amerikaanse multinationals worden verrijkt. Het hele voorstel is onzin, op China afgeschoven voor het vermeende voordeel van Amerikaanse bedrijven met de extra aantrekkingskracht van het ontsporen van China’s economische ontwikkeling en dus het wegnemen van China als een economische bedreiging voor de VS. En dat is het hele verhaal. De Chinese economie is noch onhoudbaar, noch onevenwichtig, en het opvolgen van het advies van de Amerikanen om “China’s groeimodel te verschuiven naar een model dat wordt aangedreven door de consumptie van de gezinnen in plaats van door investeringen en export”, zal alleen maar dienen om China te vernietigen. En dat is het plan.


Help ons de censuur van BIG-TECH te omzeilen en volg ons op Telegram:

Telegram: t.me/dissidenteen

Meld je aan voor onze gratis dagelijkse nieuwsbrief, 10.000 gingen je al voor:


De wereldwijde geplande financiële tsunami is net begonnen

5 3 stemmen
Artikelbeoordeling
Abonneer
Laat het weten als er
guest
3 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
Johan
Johan
1 maand geleden

EuroNet: tegen het Amerikaans imperialisme

Vilseledd
Vilseledd
1 maand geleden

Natuurlijk is een deel van deze evangelisatie een even woedend aandringen op China om alle infrastructuuruitgaven en andere nationale ontwikkeling stop te zetten om middelen vrij te maken voor de consumenten om uit te geven.

Citaat van Harry S. Truman:

“The whole world should adopt the American system. . . . The American system can survive in America only if it becomes a world system.”

Hun verwaarlozing van de publieke taak zag je overigens terug in de lotgevallen van Truman zelf. Na zijn presidentschap had hij geen betrekking en er bestond geen wachtgeld, zodat hij zijn intrek bij zijn moeder moest nemen.

En in de ‘zes fasen van een imperium’, waarin Amerika tegenover het Romeinse Rijk wordt gezet, wordt ‘The American Way of Life’ gezien als een vorm van Imperialisme:

2. veroveringsfase
I.R.: De verovering van het Italia, de Punische oorlogen, de Gallische oorlog
Amerika: 1800 – 1990 (Val van de Sovjet-Unie) De verovering van het ‘Wilde Westen’, Mexico, maar ook de vergroting van de invloedssfeer en het exporteren van the American Way of Life.

Deze thematiek wordt ook genoemd in een speech van diezelfde Noam Chomsky:

https://www.commentary.org/articles/reader-letters/trumans-speech-noam-chomsky/

Johan P
Johan P
1 maand geleden

Ik kan hierop antwoorden dat er een verschil dient te worden gemaakt tussen personen en de staat.
Tot pak ‘m beet 25 jaar geleden was het zo dat veel Amerikanen inderdaad wel leningen uit hadden staan, maar dat het voor de middenklasse toch vrij normaal was om tegen je 45e-50e je huis volledig te hebben afbetaald en dat vormde eigenlijk de basis van je peroonlijke kapitaal. Dat is tegenwoordig zeker niet meer zo. En de bankencrises in de afgelopen decennia hebben veel Amerikaanse spaarder hard geraakt, waardoor hun spaargeld en pensioenen zijn verdampt of minimaal een enorme dreun hebben gehad.
Voor veel Amerikanen is hun 401K (hun pensioenfonds) iets waar ze vrij veel geld instoppen. Iemand die altijd heeft gewerkt kan daar zonder te veel problemen tegen zijn 60e 1 of 2 miljoen in hebben zitten, deels aan geld op de rekening, deels aan aandelen. Met de crashes is daar enorm veel geld uit verdampt. En net als in Europa zijn de banken ‘gered’ met belastinggeld, maar dat is vrijwel alleen maar ten goede gekomen aan de topklasse, de gewone man heeft alles moeten ophoesten.
Ook moet worden opgemerkt dat het openbare onderwijs, zeker in de steden, vaak schrikbarend slecht is en dat er (trouwens net als in Nederland) maar weinig wordt onderwezen over hoe je financien op orde te houden, simpel boekhouden of pensioen.

Aan de andere kant heb je de staat, die net als in Europa geen enkel teken van zelfcontrole vertoont en geld uitgeeft en bijdrukt alsof het niks is. Zeker in de VS zie je dat de lobby van de wapenindustrie, de big tech en de big pharma krankzinnig veel invloed hebben en dat het geld met bakken wordt weggesmeten aan allerlei onzin. Met de Dems onder Obama, Clinton en nu Biden ook aan allerlei onzinnige ‘social justice’ programma’s die nog nooit ergens effect hebben gehad behalve dan voor diegenen die de programma’s opzetten, die worden er rijk van.